IMG_3925

Afgelopen maandag op dinsdagnacht was verschrikkelijk. Ik ben achtervolgd, tot twee keer toe vermoord en er zat een inbreker in m’n kamer: ik had een nacht vol nachtmerries. Van die hele enge, zoals ik die vroeger als kind nog wel eens had. De laatste jaren staan nare dromen eigenlijk altijd in het teken van een slecht tentamen, knarstanden (dat is zó naar) of stress, maar dit… man man man. Toen ik wakker schrok wilde eigenlijk het allerliefst heel hard m’n huisgenoten roepen maar toen bedacht ik me ineens dat ik in maart alweer 20 word. Goed, je merkt het al: ‘t zit nog hoog. Een vriendin zei ‘Beautje toch, daar heb je toch je blog voor!’ en dat vond ik eigenlijk wel een heel mooi idee. Get yourself some popcorn: vandaag kunnen jullie meebibberen met ‘De boshutmoord’.

Al jaren ga ik met de scouting (of hoe ik het met zelfspot liever noem: de padvinders) op zomerkamp. Ergens in een bos in Nederland bouwen we dan een heel gezellig kamp op waar we twee weken met vier groepen doorbrengen: twee van de leeftijd 11 tot 15 en twee groepen van 16 tot een jaar of 19, met daarbij allerlei begeleiders. Dit jaar niet. Dit jaar zat ik met mijn opa en nicht in een huisje in datzelfde bos. Een echt opa-huisje, eigenlijk. Mijn nicht heb ik al een jaar of acht niet gezien en is in werkelijkheid een jaar of 25. In dit huisje was ze hooguit 12. Buiten was het schemerig, tegen donker aan, en tussen de bomen hing een vaag oranje gloed. Het nieuws was al bij ons aangekomen: er is een seriemoordenaar actief en, dat mocht eigenlijk nog niet echt gezegd worden maar, een jongetje van scouting is slachtoffer van hem geworden. Doodeng vond ik het, maar ik durfde het niet toe te geven aan mijn nuchtere opa. Mijn nicht lag daarentegen krijsend van angst op de grond. Terwijl mijn opa de voordeur achter zich dichttrok zei hij met een gespannen gezicht “Ik heb toch ook maar even de kozijnen boven dichtgedaan hoor”. Vanaf dat moment mocht ik ook bang zijn: “Alles?”. Nee, niet alles.

Wat volgde waren flashes van allerlei plekken in huis waar ik me kon verstoppen voor de moordenaar. Alles was nog steeds bijna donker en achter een deur trof ik andere mensen aan die hetzelfde plan hadden gehad.

De rest van de dag hoorden we niks meer over de moordenaar. Met mijn opa, nicht, ouders, broertjes en een begeleider van scouting stond ik in het licht van een lantarenpaal rond de pingpongtafel naast het huisje. Ik bedacht me dat ik me vast had aangesteld, want de rest durfde immers gewoon buiten te staan. Tot ik aan de overkant van het bospad een man zag fietsen met drie honden aangelijnd om zich heen. Hij fietste zo vreemd rondjes langs het verlichtte tankstation aan de overkant en piekte daar steeds nieuwsgierig naar binnen: ik vond ‘m verdacht. Terwijl ik de rest om me heen voorzichtig probeerde in te lichten, keek ik langs een gedaante nog steeds naar de man met honden. Halverwege mijn zin had ik oogcontact met het gedaante dat me vooralsnog niet was opgevallen: hij was dikkig, droeg een wit/paars geblokte blouse en had een rond hoofd met een volle, grijze snor. Ook hij fietste op het bospad. Ik kreeg de kans niet om mijn zin af te maken: de dikke man minderde zijn tempo, gooide langzaam zijn fiets neer en sprintte naar ons toe. Hij moest mij hebben, ik wist het zeker. Ik wilde wegrennen, maar mijn benen deden niks. Hij greep me van achter en stak in één ferme beweging zijn mes naast m’n borst onder mijn arm. Ik moet doen alsof hij mijn hart geraakt heeft, dacht ik, ik moet doen alsof ik dood ben. En toen werd ik dus wakker.

Compleet onder het zweet, met één hand op mijn borst en de andere onder mijn oksel. De dekens tot over mijn neus getrokken. Halfslapend probeerde ik de droom te eindigen, maar in alle vijftig versies stierf ik. Ik durfde me niet te bewegen want er zou hoe dan ook een inbreker op mijn bankje zitten te wachten op oogcontact. Tranen rolden over de wangen van dit negentienbijnatwintigjarige meisje. En zelfs nu, tijdens het onophoudelijk typen, gaan er rillingen door m’n lichaam. Gadsie, het was echt heel naar! Hebben jullie dat nog wel eens? Van die échte échte nachtmerries? De laatste keer kan ik me niet eens echt herinneren, maar dat was waarschijnlijk iets met Karbonkel.