wonen_in_een_studentenhuis

Met terugwerkende kracht besluit ik dat op kamers gaan één van de meest ingrijpende dingen in mijn leven is geweest. Destijds ervaarde ik dat helemaal niet zo: het tragische aanzicht van mijn ouders die de auto met twee keer steken omdraaien en hun dochter achterlaten in een aftands kantoorpand heeft weinig indruk gemaakt. Ik was er gewoon helemaal klaar voor. Exact vijf jaar later is het tijd voor level 2 van het uit huis gaan: samenwonen. Level 1, wonen in een studentenhuis, heb ik uitgespeeld. Maar eh, dit had ik vooraf wel willen weten.

1 – HOSPITEREN KUN JE LEREN

Het is dus echt precies vijf jaar geleden. Opende ik net na de zomer van 2014 de zoektocht naar een studentenkamer, heb ik nu op hetzelfde moment besloten dat ‘t mooi is geweest. Hospiteren bleek toentertijd een kunst op zich. Hospiteren is een soort solliciteren, maar dan voor een kamer – of garagebox – voor studenten. De eerste keer dat ik bij zo’n avond aanwezig was, was vreselijk. Een slachtsessie. Het was een luidruchtige, verwaande groep mensen waar iedereen z’n leukste zelf forceerde. En toch wilde ik er wonen want ik had geen idee dat het ook anders kon. Thank god werd ik selectiever en koos ik voor de huizen en huisgenoten waar ík een goed gevoel bij had, in plaats van het bij de ander neer te leggen. Ik werd nog steeds afgewezen maar wist wel bij iedere keer beter waar ik op moest letten en wat ik belangrijk vind in een huis. Hospiteren kun je echt leren: na een tijdje wees ík de kamers af, in plaats van andersom.

2 – HUISGENOTEN ZIJN ZO BELANGRIJK

Wonen met leeftijdsgenoten is een interessant concept. Deed een van mijn broertjes iets wat me niet zinde, dan deelde ik een klap uit of ik praatte ze de daaropvolgende anderhalf uur na met een vervelend stemmetje. Hoef je bij huisgenoten niet te proberen. Je gaat ze haten, je gaat van ze houden. Ze zitten naast je op de bank als je gebroken hart geheeld moet worden met een fles wijn en ze zitten daar ook als je tijd voor jezelf nodig hebt. Je kunt bij ze aankloppen voor een goede stapavond en je walgt van ze als ze daarna thuiskomen en de hele nacht het stapelbed ritmisch tegen jullie gedeelde muur rammen. Maar het is zo leerzaam. Ik ben zo blij dat ik in een studentenhuis heb gewoond. Bij iedere nieuwe huisgenoot werd de verhouding in huis anders. Met de een kon ik het duidelijk een stuk beter vinden dan met de ander maar ook dat contrast leert je ontzettend veel over jezelf.

3 – JE NEEMT JE OPVOEDING MEE

Dat brengt me meteen bij punt drie: je neemt de normen, waarden en gewoonten van je opvoeding mee. Als je voor het eerst uit huis gaat, is je leven zo wankel als wat. Wat je wél hebt, is de kennis van thuis. Die kennis neemt iedereen voor zich mee en dat kan botsen. Abstract voorbeeld: één huisgenoot was gewend om alle shampooflessen na iedere douchebeurt weer terug te zetten in de kastjes, terwijl ik ze het liefst gewoon laat staan. Andersom ben ik gewend heel strikt te zijn op brandgevaar; ik had er een dagtaak aan om föhns en stijltangen uit stopcontacten te trekken. Werden zij weer helemaal gek van. Maar ook hoe je reageert op dingen, hoe je omgaat met situaties, vindt zoveel basis in je gewenning van thuis. Pas toen ik woonde met leeftijdsgenoten met andere gewoonten, werden dat soort dingen zichtbaar.

4 – JE GROEIT ERUIT. ALTIJD.

De belangrijkste les die ik niet had voorzien: je groeit er ook weer uit. Logisch natuurlijk, maar dat is niet waar je aan denkt als je ergens tevreden over bent. Toch ging ik bij ieder huis steeds meer negatieve punten zien naarmate ik er langer woonde en mijn leven veranderde. Mijn eerste kamer was donker, ik woonde met mannen en dat wilde ik niet meer, ik werd knettergek van de hakken van de bovenbuurvrouw en alsmaar zenuwachtiger van de bewaker van de coffeeshop die de hele dag voor mijn raam de wacht hield. Ik verhuisde en zat er weer helemaal lekker in. Ik wilde absoluut niet anders dan wonen in een studentenhuis. Toch was ik ook dáár na een paar jaar helemaal klaar mee. Met deze kennis weet ik dat ik ook ons nieuwe huis op een dag niet meer kan luchten.

Maar tot die tijd waardeer ik het dat ik iedere pollepel vanwege ruimtegebrek moet heroverwegen, dat de Dom ook ‘s nachts ieder kwartier een liedje speelt en dat het stappende publiek voor mijn raam me nog een inkijkje geeft in het studentenleven waar ik nu toch echt geen onderdeel meer van ben.